Een van de eerste zaken die u bij de beoordeling van een industrieel stoomsysteem moet onderzoeken, is hoeveel stoom het productieproces doorheen de dag werkelijk verbruikt.
Een voedingsbedrijf met verschillende batchprocessen kan grote schommelingen in de stoomvraag kennen. Een brouwerij heeft tijdens het koken van wort mogelijk veel stoom nodig, gevolgd door periodes met een laag verbruik. Een chemische fabriek die continu draait, kan een veel stabielere warmtevraag hebben.
Die verschillen zijn belangrijk voor de technologiekeuze. Traditionele ketelinstallaties bevatten vaak een aanzienlijke hoeveelheid water die moet worden opgewarmd en op bedrijfstemperatuur gehouden. Dat kan in bepaalde toepassingen nuttig zijn, maar veroorzaakt ook energieverlies wanneer de ketel warm blijft terwijl weinig stoom wordt verbruikt, onder meer door voorventilatie en stralingsverliezen.
Stoomgeneratoren met een lage waterinhoud werken anders. Door hun beperkte thermische massa starten ze snel op en reageren ze vlot op een wisselende stoomvraag. Bij veelvuldige start-stopcycli of sterke belastingsschommelingen kan dit de energie beperken die nodig is om de installatie warm te houden.
Een continu werkende fabriek met een stabiele stoomvraag is een ander geval. Daar kunnen het jaarlijkse rendement, de beschikbaarheid van energie, onderhoud en de kosten van de energiebron zwaarder doorwegen dan de opstartsnelheid.
Kijk dus verder dan de nominale ketelcapaciteit. Twee fabrieken met hetzelfde jaarlijkse stoomverbruik kunnen door een verschillend verbruiksprofiel sterk uiteenlopende bedrijfskosten hebben.